terug

"Soldatensouvenirs in batik" was de titel van een tentoonstelling die in 1998 in het Legermuseum te zien was. Evenals de tentoonstelling destijds, geven deze pagina's een beeld van de batikdoeken die de Nederlandse militairen als aandenken aan hun verblijf in Nederlands-IndiŽ mee naar huis namen. Een batikdoek was een tastbare herinnering van een militair aan zijn diensttijd en aan zijn onderdeel.

Batikdoeken zijn een typisch Indonesische cultuuruiting en de militairen die een dergelijke doek mee naar huis namen deden onbewust aan een vorm van culturele kruisbestuiving. Afbeeldingen van Hollandse windmolens of een gebatikte Hollandse vlag staan zij aan zij naast wajang-figuren en sawa-landschappen. Aan de hand van de informatie die kan worden ontleend aan deze doeken wordt een beeld gegeven van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Nederlands-IndiŽ.

Na een algemene introductie over batikcultuur en batiktechniek wordt ingegaan op de militair-historische achtergrond bij dit unieke aspect van de aanwezigheid van†de militairen in Nederlands-IndiŽ. Voor de tekst is gebruik gemaakt van de catalogus die bij de tentoonstelling verscheen, waarin ook 15 batikdoeken waren opgenomen uit de collectie van het Legermuseum. In totaal bezit het Legermuseum 170 batikdoeken, die alle te zien zijn op de speciale fotoselector pagina.

Militair-historische context
Alle batikdoeken in de museumcollectie
Verwerving van de collectie batikdoeken
Batikdoek B-Divisie (1947)



De batikcultuur op Java

Op Java bestaat de batikcultuur al eeuwen. Algemeen wordt aangenomen dat gebatikte doeken al in de 14e en 15e eeuw werden gemaakt [1]. Toen de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) factorijen vestigde op Java, dreef men van daaruit handel met de inlandse bevolking en met inheemse vorstendommen. De VOC nam naast specerijen ook textilia als luxe handelswaar mee naar Holland, zoals sits (katoenen kleden met bloemmotieven) uit India. Pas sinds het begin van de negentiende eeuw gingen de Europeanen zich meer interesseren voor de kunst en cultuur van AziŽ, met name Nederlands-IndiŽ.

Zo verschenen er over textilia en met name over batik voor het eerst verscheidene wetenschappelijke publicaties [2]. In de textielcollectie van het Museum voor Volkenkunde te Rotterdam bevindt zich onder meer een verzameling 19e eeuwse batikdoeken die door Ellie van Rijckevorsel en G.P. Rouffaer is bijeengebracht. Deze collectie staat internationaal hoog aangeschreven door haar verscheidenheid en hoge kwaliteit en om haar documentatiewaarde.

Alle hier getoonde doeken zijn te catalogiseren onder de naam batik Pesisir of batik Pasisir (pesisir = strand en pasir = zand). Pasisir is de algemene naam voor de noordkust van Java. Hiermee wordt bedoeld batik die afkomstig is uit alle gebieden buiten Solo en Jogjakarta, met als belangrijk centrum Pekalongan. De term kan ook vertaald worden als batik uit de kuststreken of zelfs 'buitengebieden' en, gelet op de dessins en kleuren, als de niet-traditionele batik. De 'buitengebieden' liggen niet altijd aan de kust. Pekalongan (Kota Batik) wordt gezien als het centrum waar alle stijlafwijkingen en nieuwe ontwikkelingen voorkomen. Dat vindt zijn oorsprong in het feit dat deze plaats een internationaal handelscentrum is waar veel zakenlieden zich hebben gevestigd. Sedert het midden van de negentiende eeuw lieten Nederlandse vrouwen batikdoeken naar eigen ontwerp of met Europese motieven vervaardigen. Er zijn batikontwerpen bekend van E. van Zuylen, L. Metz, en Yans. Deze 'koloniale' batikdoeken werden meestal gebruikt als sarong (Indische rok). De sarong was voor Europese vrouwen makkelijk te dragen. Ook nu nog zijn Europese stijlen te herkennen in ontwerpen met gebruiksvoorwerpen, vruchten, bloemen en planten. Deze stijl wordt met batik Buketan (boeketten) aangeduid [3]. In dezelfde periode zijn ook de zogenaamde batik Kompeni geproduceerd. Deze interessante batiks hebben gestyleerde motieven met KNIL- militairen, inlandse hulptroepen en Nederlandse forten. De stijlaanduiding herinnert aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tot op heden zijn slechts twee sarongs met dit motief bekend [4].


Sarong met Kompeni motief
(Collectie Koninklijk Instituut voor de Tropen)

Ook Chinese stijlelementen zijn in ontwerpen aan te wijzen, vaak gebaseerd op versieringen van geÔmporteerd Chinees porselein. Tot aan de Tweede Wereldoorlog maakte de textielnijverheid gebruik van fijne, uit Nederland afkomstige katoen. De periode 1942-1950 was voor Java en haar bevolking een moeilijke tijd. Naast schaarste op diverse gebieden was er ook gebrek aan goede stoffen. Batiks vervaardigd tussen 1942 en 1945 zijn herkenbaar aan de traditionele kleurencombinatie van Japanse kimono's. Hierbij werden ingewikkelde Japanse motieven zoals chrysanten veel toegepast. Deze batikdoeken worden met batik Hdkůkai of Jawa Eokokai aangeduid [5]. In de periode direct na het uitroepen van de Republiek (17 augustus 1945) zijn weinig batikdoeken gemaakt. Kenmerkend voor deze doeken uit de beginperiode is het blijven toepassen van Japanse motieven in combinatie met republikeins-Indonesisch elementen. De mengvorm van motieven en elementen rechtvaardigt de aanduiding van deze groep doeken met batik Merdeka.

De in deze tentoonstellingscatalogus opgenomen doeken zijn bijna allemaal, geheel of gedeeltelijk, met de hand gebatikt. Handarbeid was goedkoop en de opdrachtgevers, de Nederlandse militairen, hadden vaak specifieke wensen ten aanzien van het onderwerp en de voorstelling. Met de hand batikken wil zeggen dat de tekening, die van tevoren op de stof is aangebracht met vloeibare was uit een tuitvormige pen (canting of tjanting) wordt nagetrokken.

Canting (tjanting) pen

De grotere batikmotieven werden eerst getekend op kalkeerpapier en daarna overgebracht op de te batikken doek, waarna het hele proces van batikken kon beginnen. Telkens voordat de stof in een bepaalde grondkleur wordt gedompeld, worden bepaalde delen van het ontwerp ook met was bedekt waardoor alleen de niet met was bedekte delen kleur aannemen. De hier en daar uitvloeiende was en de gele, indigo en bruine kleuren, geven met hand gebatikt werk een speciale charme. Daar waar sprake is van gestempelde motieven, kan men aannemen dat de gebruikte caps (tjaps = stempels) (afb. 8) al voorhanden waren en veelal lang in gebruik. Caps worden van koper gemaakt.

Cap (tjap) stempel

Het maken van caps vraagt een behoorlijke investering. Daarnaast is het werken met caps niet eenvoudig en vraagt bovendien een andere organisatie van arbeid. Voor ťťn motief heeft men twee caps nodig die spiegelbeeldig aan elkaar behoren te zijn in verband met het dubbelzijdig bedrukken van de doek. Voordat een batikatelier besluit deze te laten maken zal daar een behoorlijke vraag van afnemers tegenover moeten staan. De meeste stempelmotieven worden gebruikt voor de productie van kleding zoals kaÔns (wikkelrokken) en sarongs. Veelal zijn de randversieringen van deze doeken gestempeld.

[1]† F.W. van Oss - Batik, de ziel van Java, Uitgave Nederlands Textielmuseum (Tilburg 1996), 11.
[2]† A. Veldhuisen-Djajasoebrata - Bloemen van het heelal. De kleurrijke wereld van de textiel op Java, (Amsterdam 1984), 8.
[3]† Van Oss - Batik, de ziel van Java, 78.
[4]† Collectie Koninklijk Instituut voor de Tropen (K.I.T.) Amsterdam, collectie nr. 5494-1; en privťcollectie [and private collection] drs. Rahmaniar Soerianata Djoemena, Jakarta.
[5]† Van Oss - Batik, de ziel van Java, 80.